Boek1

Inleiding



Welkom bij dit boek over de persoon. Dit boek, dat tot nu toe bestaat uit twee boeken, is het resultaat van mediteren op een klassiek boek met heilige verhalen dat op het internet te vinden is op bhagavata.org en is geschreven door Kṛṣṇa Dvaipāyana Vyāsadeva, de grootste van alle Indiase filosofen en mogelijk van alle filosofen die ooit geleefd hebben. Ik, de auteur van deze inspiraties, ontving in India de geestelijke naam Swami Anand Aadhar, 'Leraar van de Grondvestig van het Geluk'. Ik begon mijn volwassen leven als een klinisch psycholoog, maar werd in de loop van de tijd in mijn spirituele verkenningen gegrepen door een oprechte toewijding voor de filosofie van Badarāyaṇa, een andere naam van Vyāsa. Het boek van Vyāsa, die ook de Bhagavad Gītā spirituele instructie en de Mahābhārata epische verhandeling over de grote Indiase oorlog schreef, is een raamvertelling over de val van een Vedische keizer ongeveer 5000 jaar geleden, die, omdat hij werd vervloekt door een brahmaanse wijze, aan de oever van de Ganges gaat zitten om te vasten tot de dood er op volgt. De zeven resterende dagen van zijn leven brengt hij dan door in gesprek met Śukadeva Gosvāmi, een jonge man van 16 jaar oud, een heilige en een wijze, die de zoon is van Vyāsa. In het gezelschap van vele wijzen van die tijd, vertelt Śuka hem alles over de Vedische cultuur van heilige en minder heilige koningen die ooit over de ganse aarde heersten, maar die is ingestort sedert de verdwijning van Śrī Kṛṣṇa (Krishna), een prins van de oude Vedische cultuur, die een goddelijke persoonlijkheid is. Het boek van Vyāsadeva, de Bhāgavata Purāṇa, ook wel het Śrīmad Bhāgavatam genaamd, vertaald met 'Het Verhaal van de Fortuinlijke', bestaat uit twaalf delen, genaamd Canto's, en het grootste deel van deze verzameling verhalen handelt over de persoon Kṛṣṇa. Vyāsa presenteert Kṛṣṇa als de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Heer, die we ons eigenlijk allemaal zouden moeten herinneren voor onze verlichting en bevrijding, vrede en voorspoed.
Het onderhavige boek betreft de inspiraties op de hoofdstukken uit het eerste en tweede Canto. In boek één zijn er de inspiraties op de spirituele thema's geïntroduceerd door een wijze genaamd Sūta Gosvāmi voor een gehoor van wijzen verzameld voor een langlopende offerplechtigheid in een woud. Vervolgens komen dan in boek twee de inspiraties op Śukadeva Gosvāmi aan de orde over de filosofie van de Persoon in de vorm van een dialoog tussen een zoeker en een leraar. De inspiraties volgen ieder van de hoofdstukken van het eerste en tweede Canto. In deze inspiraties hoop ik de essentie duidelijk te maken van Vyāsadeva's filosofie over de persoon op een wijze die m.i. voor ons moderne mensen begrijpelijk en aanvaardbaar is. In het eerste boek ben ik met name vrij aan het filosoferen over de achtergronden en consequenties van Vyāsadeva's begrippenkader, in het tweede boek volg ik de tekst van Śukadeva in een dialoogvorm op de voet op een parafraserende manier, in een stijl, met een woordgebruik en een inhoudelijke aanpassing waarvan ik denk dat hij die heden ten dage gebezigd zou hebben.

Om u in te voeren in dit verslag, zou ik graag willen beginnen met een vraag. De vraag luidt: 'Welke vraag komt in u op wat betreft het onderwerp van de zelfverwerkelijking in relatie tot de gevestigde cultuur van geestelijke kennis waar u mee bekend bent?' Natuurlijk kan u als lezer daar nu niet direct op antwoorden. Daarom zal ik, in de inspiraties in dit boek, proberen zelf bij herhaling deze vraag te beantwoorden, op een manier die bij mijn persoon past. Het is niet een net geleerd vedāntisch commentaar zoals reeds geboden wordt door verschillende commentatoren van het Bhāgavatam. Er bestaat een rijke traditie, genaamd Vaishnavisme, van het respecteren van dit boek op deze manier en op vele andere manieren. Mijn manier is ook zo'n andere manier waartoe ik uiteindelijk gekomen ben na ongeveer 28 jaar geleden in Amsterdam in Nederland te zijn ingevoerd in de cultuur van de bhakti, of toewijding, rondom dit boek. Essentieel voor deze andere manier is mijn persoonlijke manier van mediteren op Śrī Kṛṣṇa. Mijn benadering bestaat uit twee essentiële onderdelen. Het onpersoonlijke en het persoonlijke deel. Het onpersoonlijke van Kṛṣṇa is de tijd. Voor dat doel gebruik ik een meditatieklok ingesteld op de zon, een zogenaamde tempometer1 - alsook een kalender met een regelmatige verdeling van dagen in relatie tot de zon en de maan. Aldus de tijd respecteren strookt met het natuurlijke gezag van de tijd. Dit is bevorderlijk, zo leerde ik, voor je meditatie en natuurlijke fysieke en psychische integriteit. Voor het persoonlijke gedeelte hou ik me bezig met zowel het samen zingen van - als het alleen mediteren op - de zogenaamde Mahāmantra alsook op de bhajans, de toegewijde liederen die men zingt bij toerbeurt.
Teneinde in staat te zijn mijn argument in dit boek te volgen, zou ik u graag eerst willen  uitnodigen om samen met mij een kleine meditatie te doen die als volgt verloopt. Als een beginner, niet vertrouwd met de persoonlijke benadering van het mediteren, kan men aanvangen met leren te mediteren door het ritme van je hartslag te volgen, vier slagen tellend voor het inademen en vier voor het uitademen. Met het aldus reguleren van uw adem in dit tempo wordt het meditatieproces, om de rusteloze geest in te perken en verlichting te vinden van materiële zorgen, in gang gezet en onderhouden. Maar mediteren op aantallen hartslagen stelt niet veel voor als referentie voor de moeilijk te beheersen geest. Met de bedoeling van de persoon voor ogen, bereikt men een meer betekenisvol alternatief en een sterkere vorm van controle over de geest met de persoonlijke benadering van toewijding vanuit de traditie van het zich concentreren op Śrī Kṛṣṇa die men ook wel de Heer van de Yoga noemt. Als u klikt op deze geluidslink, zal u een bestand horen afspelen waarin ik in een bepaald tempo de grote mantra van Kṛṣṇa opzeg. Volg nu nauwkeurig het ritme van deze woorden en probeer in te ademen als ik zeg Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare. Dat duurt ongeveer 5 seconden. Adem vervolgens uit als ik zeg Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Dat duurt ook ongeveer vijf seconden. Ik herhaal dit tien keer. Probeer me alstublieft te volgen door te ademen in het tempo van mijn woorden. Dat zal ongeveer één minuut veertig seconden duren. Als het bestand is afgelopen, houdt u dan alstublieft de volgorde van deze drie woorden van de grote mantra van Kṛṣṇa vast in uw geest, terwijl u ze rustig volgt met uw ademen op de manier zoals u dat deed terwijl ik sprak. Ga door met zo te  ademen terwijl u aldus in stilte op Kṛṣṇa mediteert, totdat u zich ontspannen en gefocust voelt. Om uw oplettendheid te bewaken kan u gebedskralen gebruiken om het aantal herhaalde Mahāmantra's te tellen. Rāma is een andere naam van een andere avatar, een persoonlijke nederdaling, van Kṛṣṇa. Hare refereert aan Hari, de Heer. Hare Kṛṣṇa betekent dus de liefde van Heer Kṛṣṇa of de energie van Heer Kṛṣṇa. Men beschouwt de mantra als de geluidsincarnatie van Hem en hij wordt de Mahāmantra, de 'grote mantra', genoemd omdat hij samen kan worden gezongen, hardop kan worden gemediteerd, alsook alleen in stilte kan worden gemediteerd. Neem na het beëindigen van deze meditatie, alstublieft dit boek ter hand en begin dan te lezen. Nu hebt u de geest van dit boek te pakken. Zonder, zal het niet makkelijk zijn te volgen wat door Vyāsa en door mij zal worden besproken.

Bij ieder hoofdstuk geef ik u een korte samenvatting van wat ik ga vertellen. Maar om allereerst duidelijkheid te verschaffen over mijn eigen persoon, zal ik iets zeggen over mijn achtergrond in de psychologie en de spritualiteit. Zoals ik zei ben ik opgeleid tot psycholoog. Mijn vader was een psycholoog en zo werd ik er dan ook een. Psychologie bestudeert het menselijk gedrag, gedachten en gevoelens en koestert aldus een fundamentele achting voor de persoon. Ik was altijd gemotiveerd om mensen spiritueel en/of psychologisch bij te staan en dus volgde ik mijn vaders advies om mensen op deze manier te helpen als een therapeut. Tijdens mijn studie ontdekte ik dat spirituele boeken en praktijken een betere discipline en focus vormen voor het doel van de persoon in een positief opzicht, in de zin van het vinden van verlichting van ellende door meditatie. Waar de psychotherapie b.v. zelfconfrontaties en ademhalingsoefeningen biedt om je beter aan te passen aan de samenleving, biedt de spiritualiteit een weg van zuivering en geestelijke oefening om zoals het hoort en veilig om te gaan met de innerlijke persoon van het ideaal van de zelfverwerkelijking in spirituele associatie met gelijkgestemde mensen. Dit laatste zuiveringsaspect van persoonlijk idealisme ontbrak aan de wetenschappelijke benadering. Voor de wetenschap van de psychologie was dit ideologie en niet waardevrij. Een lange tijd stonden er twee rijen boeken in mijn boekenkast: spirituele en wetenschappelijke. Maar geleidelijk aan nam het spirituele deel mijn leven over terwijl ik dieper inging op de sociale sferen van de yoga in zijn verschillende vormen. Ik volgde cursussen in meditatiecentra, sloot me gedurende ongeveer een jaar aan bij een bhakti-yoga gemeenschap om me de discipline eigen te maken wat betreft het mediteren en studeren en ging naar India, waar ik verschillende ashrams bezocht en verschillende goeroes bestudeerde alsook hun geschriften, met inbegrip van hun gemeenschappelijke culturele achtergrond en werd uiteindelijk geïnitieerd op 23 september 1989. Onafhankelijkheid ontwikkelend in mijn yogapraktijk, vond ik in de psychologie een duidelijke brug naar de spirituele dimensie die de twee benaderingen van de persoon complementair maakt. Psychologie biedt wetenschappelijke feiten terwijl de spiritualiteit hen betekenis verleent.
Laat me u daarom iets vertellen over deze brug en daarna zal ik in de inspiraties uitweiden over de inzichten horend bij de spirituele dimensie die hoogst excellent wordt verdedigd in Vyāsa's verhaal over Kṛṣṇa en Zijn cultuur. Deze psychologische referentie dient slechts als een opstapje en zal worden verlaten voor de rest van dit eerste boek bestaande uit twee delen. De studie van de psychologie van de persoon spreekt sedert 1961 van een theorie die vijf dimensies voorstelt aan de hand waarvan het karakter of de persoonlijkheid van personen kan worden beschreven. Men kwam empirisch op deze dimensies van persoonlijkheidsfactoren uit door al de woorden in het woordenboek te classificeren die betrekking hebben op persoonlijkheidskenmerken. De vijf fundamentele groepen van eigenschappen aldus gevonden door kwantitatieve analyse, bleken zelfs van toepassing te zijn op hoe we over dieren en kinderen nadenken. En dus kwam er een test, een persoonlijkheidsvragenlijst, ontleend aan deze theorie (de zogenaamde FFPI in 1999). Deze dimensie van de persoon, bekend onder de naam van de theorie van de Big Five, bestaat uit paren van complementaire persoonlijke kwaliteiten. De aldus met deze psychologische research gevonden dimensies waren: extraversie gepaard aan zelfverzonken zijn, mildheid gepaard aan onthechting, sensitiviteit gepaard aan vertrouwen, gewetensvol zijn gepaard aan onbezorgd zijn, en openheid gepaard aan voorzichtigheid. Er bestaan verschillende versies van de beschrijving van deze dimensies naar gelang de auteur, maar deze formulering behoort tot degenen die men mag gebruiken.
Dit vormt een goed voorbeeld van wat de moderne wetenschap over de persoon te zeggen heeft. De wetenschap kan, zoals gezegd, echter geen waarde bepalen in deze zaken, anders dan mensen te controleren aan de hand van bepaalde standaarden van intelligentie en succes en dergelijke. Daarom lijkt deze lijst van eigenschappen geen betekenis te hebben, alles wat men over ze kan zeggen is dat ze samen voor een groot deel het menselijke karakter dekken. Maar vanuit een spiritueel standpunt zien de zaken er anders uit. Spiritualiteit, volgens Vyāsadeva, wordt gedefinieerd door een duidelijk stel waarden. Als we met deze waarden kijken naar deze empirisch gevonden dimensies van het menselijk gedrag, zien we opeens een structuur verschijnen van wat we kunnen beschouwen als de essentie van de ideale persoon van Kṛṣṇa als een extra dimensie van orde naast de vijf die werden gevonden. Het betreft de vanbinnen/vanbuiten dimensie. Je hebt de persoon vanbinnen en de materiële aangelegenheid vanbuiten. Zo hebben we dan een stel karaktertrekken die op de binnenkant zijn georiënteerd en een stel die zijn gericht op de buitenkant. De afdeling van de populaire psychologie kan het proberen de externe te waarderen boven de interne en dat ondersteunen met onderzoeksgegevens. Extravert zou men meer succesvol kunnen zijn en populair. Maar dat soort van waardebepalen is niet echt wetenschappelijk en we willen niet de wetenschap verlaten, hoe beperkt de reikwijdte ervan ook mag zijn. 
De spirituele filosofie houdt zich hoofdzakelijk bezig met het verschil tussen geest en materie en onderkent de noodzaak van innerlijke stabiliteit zowel als die van uiterlijke effectiviteit. Aldus structureert ze deze dimensies met een zesde. Het vormt een idealistische dualistische benadering ter wille van een persoonlijk evenwicht tussen de innerlijke en de uiterlijke persoon die we allebei zijn, waarin de persoon (de zogenaamde puruṣa, een essentieel Sanskriet basisbegrip) als een tijdloze getuige geplaatst wordt in en tegenover de tijdgebonden wereld vol van dualiteiten. De dimensies van de Big Five kunnen aldus in het belang van de spiritualiteit worden gehergroepeerd in positieve formuleringen van eigenschappen zodat we ons met ieder van hen kunnen identificeren en ze betekenisvol kunnen plaatsen op de vanbinnen/vanbuiten schaal van de zesde dimensie zoals vermeld. We spreken zo dan liever van sensitiviteit dan van emotionele labiliteit of nervositeit en gepaard daaraan liever van vertrouwen dan van stabiliteit. Aldus begrepen definiëren ze dan, of vormen ze, een bepaalde relatie met Kṛṣṇa, een soort van 'high five' met Hem, Hij die in de literatuur en de praktijken van Zijn cultuur van het Vaishnavisme wordt beschouwd als de Hoogste Persoonlijkheid uitgerust met al de kwaliteiten nodig voor je zelfverwerkelijking. In tegenstelling tot de wetenschap van de psychologie die in feite alleen maar een woordenlijst samenstelt met het missen van de zesde dimensie, kent de spiritualiteit deze eigenschappen waarde toe - en doet nog veel meer zoals we zullen zien - om duidelijk te zijn over de manier waarop we innerlijke vrede en harmonie kunnen bereiken alsmede een betere wereld van leven naar dergelijke voorbeelden en voorschriften. Gehergroepeerd om spiritueel betekenis te verlenen, brengt één helft van de vijf dimensies ons dichter bij Kṛṣṇa vanbinnen, de essentie van de innerlijke getuige, terwijl de andere helft ons Hem vanbuiten doet volgen op een meer op de zintuigen gerichte manier. Met het aldus 'gecentreerd' hebben van de dimensies van deze empirisch vastgestelde polariteiten van karaktertrekken, hebben we een soort van wetenschappelijk bepaalde moraliteit van omgaan met Hem. Ons vanbuiten tot Hem verhoudend zijn we geneigd ons gewetensvol, extravert, open voor suggesties, mild en sensitief op te stellen. Maar ons vanbinnen tot Hem verhoudend zijn we onbezorgd over materiële zaken, zelfverzonken, voorzichtig, onthecht en van vertrouwen. Dus hoe men ook is georiënteerd, men is altijd met Hem geassocieerd zolang het juiste onderscheid vanbinnen/vanbuiten wordt onthouden middels regelmatige meditatie. Het ontkennen van deze soort van geestelijke orde zou verwarring inhouden en onzekerheid in je zelfverwerkelijking. Vyāsa zou deze staat omschrijven als materiële besmetting of onzuiverheid.

Met Kṛṣṇa beseffen we, met dit perspectief, dat de kwaliteit van ons menselijke karakter een kwestie is van de staat van ons bewustzijn. Je bewegend tussen de staten van innerlijk verenigd zijn in meditatie en vanbuiten bewogen worden door toegewijde activiteiten, krijgen we een duidelijk, en dus ook door wetenschappelijke research empirisch bevestigd, idee van wat je kan zijn met Kṛṣṇa als een persoonlijkheid om op te mediteren en als een voorbeeld om te volgen. We hebben dringend behoefte aan een wetenschap die de eenheid van alle leven erkent en respecteert, die de fundamentele onderlinge afhankelijkheid van alle natuurlijke verschijnselen inziet en ons met de levende aarde verbindt" Als je met Kṛṣṇabewuste meditatie deze zesde dimensie in gedachten weet te houden, besef je ook dat de normale materiële wetenschap, zoals b.v. de wetenschap van de psychologie, in haar waardevrijheid een zeer eenzijdige of reductionistische benadering van de persoon inhoudt. De innerlijke persoon wordt verwezen naar het domein van het geloof, van ideologie en overtuiging omdat er een empirische basis aan ontbreekt of anders ervan verdacht wordt een lastig, afzijdig karakter te vormen, dat hoort bij een 'loser' en andere negatieve benamingen voor de innerlijke staat. Als je je niet op je gemak voelt vanbinnen, lijdt de innerlijke persoon onder de negatieve versie van de dimensies. Je zou dan dogmatisch of angstig zijn in plaats van voorzichtig, slordig of onbetrouwbaar in plaats van onbezorgd, zelfzuchtig en afzijdig in plaats van nadenkend zelfverzonken, onbetrouwbaar en twistziek in plaats van onthecht, en saai en onverschillig zijn in plaats van vertrouwend. Als we met Kṛṣṇa in moeilijkheden verkeren als we Zijn High Five missen om het maar zo te zeggen, wordt de integriteit van de persoon niet - of kan ze niet - fatsoenlijk beschreven en bevestigd door de 'Big Five'-dimensies van de psychologie.
Aldus met de psychologie niet slagend, gaan we over tot het onderzoeken van de wetenschap van het respecteren van de persoon, zoals die wordt omschreven door Vyāsa in termen van zuiverheid, bewustzijn, toewijding en dienstbaarheid. Met de zesde spirituele dimensie van positieve zelfrealisatie, herstellen we de eenzijdigheid van het enkel maar wetenschappelijk zijn enerzijds of enkel maar spiritueel zijn anderzijds en komen we aldus tot een nieuw - of vernieuwd - perspectief wat betreft het verbeteren van onze menselijke manier van doen. Dit is waar dit boek begint. In de inspiraties kan je je verbazen over een mentaliteit bijna tegengesteld aan die van de hoofdstukken van het verhaal van Vyāsa. Ze gaan meer over de analytische orde die Vyāsa biedt dan over de details van het vertelde verhaal. Het verhaal is, zoals gezegd, van een lange tijd geleden en van een manier van denken, een vorm van logisch redeneren en tewerk gaan, die nogal vreemd aandoet vanuit onze huidige kijk op het leven. De inspiraties gaan daarom niet uit van dit oude perspectief maar uit van het gezichtspunt van onze eigen zelfrespecterende cultuur van filosofische verlichting, democratie en wetenschap. Want dat is hoe we heden ten dage denken.
Een brug of tunnel kan je van twee kanten aanleggen. In de inspiraties wordt men slechts stap voor stap meegevoerd in Zijn richting, Zijn namen, handelingen, cultuur en wijsheid. Vyāsa baseert zich op de klassieke Indiase theocentrische cultuur van het brahmanisme bekend met avatars, goden en demonen. De inspiraties baseren zich op de meer bekende gezichtspunten van onze moderne spiritualiteit, religie, filosofie, wetenschap, politiek en kunsten. Met dit contrast tussen de geest van Vyāsa en de geest van de Inspiraties hier geboden, kan men aldus, naar gelang de eigen voorkeur, de geleidelijke benadering volgen van ingevoerd worden door de inspiraties of de meer directe weg volgen van in het diepe worden gegooid van al de ins en outs van de cultuur van de toewijding tot Kṛṣṇa, Zijn glorieuze daden en wijsheid. Men heeft de keus zich op deze beide benen rond te bewegen door de één na de ander te lezen, of rond te hinkelen op één van hen, met het overslaan van het halve boek.

Laten we nu aan de inspiraties beginnen die een op zichzelf staand verhaal vormen, langzaam vanuit verschillende manieren van redeneren opgebouwd. De inhoud van Vyāsa's verhaal mag voor zichzelf spreken. Wat mij betreft beschrijft hij dezelfde materie van de persoon in een andere taal die ik of wij - moet ik zeggen i.v.m. de geestelijke erfopvolging rondom Hem - hebben geprobeerd voor u te vertalen. Het eerste boek van Vyāsa, het eerste Canto van zijn verhalenbundel, biedt zo bezien een filosofisch overzicht van het begrippenkader en het soort van namen die door het Vaishnavisme worden gebruikt om over Kṛṣṇa te spreken. Het gaat over Zijn mentaliteit zogezegd. Hoe ziet onze huidige wereld eruit door Zijn ogen? De relevante Vedische termen waarop ik in deze teksten mediteerde, worden aan het einde van het boek in een aparte lijst weergegeven. De vele namen gebruikt voor Zijn Persoon zijn improvisaties in de stijl van Vyāsa zoals geïnspireerd door de context. Voorafgaand aan ieder hoofdstuk geef ik er een samenvatting van en maak ik de essentie duidelijk waarmee de inspiratie aansluit bij de oorspronkelijke tekst van Vyāsadeva.
Dit eerste boek van inspiraties biedt, om te beginnen met de bespreking van dit complexe klassieke werk, aldus een helder overzicht van een aan onze tijd en denktrant aangepaste versie van het begrippenkader van de spirituele kennis van Vyāsa die we hier filognosie noemen, de liefde voor de kennis van de zelfverwerkelijking, de liefde voor de toewijding tot de Persoon van Onze Idealen. Van de onpersoonlijke aard van de Tijd als de vierde dimensie om ons mee te verenigen in meditatie, tot aan de persoonlijke aard van het Ware Zelf van de Ziel van Alle Zielen binnenin ons allen die men bereikt door authentieke dienstverlening in toewijding, dekt de filognosie, deze geestelijke kennis betreffende de Persoon, het gehele spectrum van menselijke belangen. Moge het een bron van inspiratie vormen voor al jullie lezers van deze tekst en vrede en voorspoed brengen op deze planeet. Moge dit spel van orde, deze mentaliteit van de menselijkheid, deze betekenisfilosofie van het meer en meer worden wie we werkelijk zijn, onze levens wereldwijd beheersen en onze zielen ervan bevrijden te moeten branden in het vuur van ons materiële bestaan.

Swami Anand Aadhar
Enschede, Nederland 31 mei 2017








The Person

De Persoon

Admin edit SideBar

Blix theme adapted by David Gilbert, powered by PmWiki